zondag 19 januari 2014

Ja-Sprong

De afgelopen week heb ik Anna Tilroe’s pamflet ‘De Ja-Sprong naar een nieuwe vitaliteit in de kunst uit 2010 herlezen. Het is opgebouwd uit 2 delen. Het grootste deel, de eerste 50 bladzijden, gaat over de wurggreep van het grote geld en de commercie op de hedendaagse kunst. Tilroe beschrijft de mechanismen van dit drama en de rol hierin van de collectioneurs, het museum, de curatoren, de galeriehouders, de kunstenaars en de critici. Ze toont ons een wereld waarin de hedendaagse kunst gereduceerd is tot een verhandelbaar product, ontdaan van alle inhoudelijke en morele waarden. Een somber en uitzichtloos beeld.

In de laatste 4 bladzijden van haar pamflet schets Tilroe hoe de kunst zich zou kunnen onttrekken aan de gijzeling van het grote geld. Daar is in haar ogen een belangrijke rol weggelegd voor de kunstenaar en het museum.
´Een kunstenaar kan met een intelligent gebruik van de middelen van de kunst aan een beeld, een voorwerp, een tekst of wat dan ook maar onbestemd of afgesleten in het rond slingert, een betekenis toekennen die het een ziel geeft, of zoals Camus het noemt, ´tot een geheel maakt´. Einde citaat blz. 62. Een bladzijde eerder citeert ze de Frans/Algerijnse schrijver Albert Camus die op zijn beurt weer naar Marcel Proust verwijst. ´De grootsheid van Proust, schrijft de Algerijnse Fransman, is dat hij in zijn boek De tijd hervonden een versnipperde wereld bijeenbrengt en daaraan betekenis geeft’. Einde citaat blz 61. Met deze citaten omschrijft Anna Tilroe de niet geringe taak die ze voor kunstenaars weggelegd ziet. Kunstenaars dienen de wereld voorzien van nieuwe vergezichten en visies die zin geven aan de westerse cultuur. We moeten het cynisme en cultuurpessimisme te lijf met Nieuwe Grote Verhalen. De kunstenaar kan daarin een leidende rol vervullen.

Daarnaast benadrukt Anna Tilroe de taak van het museum. Het museum zou moeten ´tonen dat alles niet alleen is, maar ook geworden is. Dat een kunstwerk niet op zichzelf staat, maar dat er altijd iets aan is voorafgegaan wat raakt aan andere opvattingen, andere ontwikkelingen, andere culturele uitingen, andere tijden. Einde citaat blz 63. Het museum zou de nieuwe Grote Verhalen moeten tonen, maar ook laten zien dat ze niet uit de lucht komen vallen. Het museum maakt context, geschiedenis en inbedding zichtbaar.

Ik ben het in grote lijnen met Tilroe’s visie op de taak van de kunstenaar eens. De kunstenaar brengt in zijn werk de versnipperde wereld weer bijeen. De leegte en het cynisme van de westerse cultuur wordt veroorzaakt door de afwezigheid of het verlies van een Groot Verhaal. Maar ze lijkt vergeten te zijn dat de westerse cultuur gebouwd is op een groot verhaal, namelijk het grote verhaal van het christendom. Daar lees ik niets over. Dat is des te vreemder gezien het hierboven aangehaalde citaat, waarin Tilroe pleit voor het museum als ruimte waar kunstwerken getoond worden in hun geschiedenis en context. De westerse (kunst)geschiedenis is gebouwd op het Grote Christelijke Verhaal.

Waarom refereert ze hier niet aan, waarom is het christendom zo ‘uit de mode’? Niet veel Nederlandse intellectuelen willen de verdenking op zich laden dat hij of zij ´iets heeft´ met dit ´archaische´ geloof. Alsof hij of zij hiermee het denken heeft uitbesteed. Bovendien is Tilroe (1946) van de generatie die nog met het geloof is grootgebracht en er in de jaren 60 en 70 zich ervan bevrijd hebben. Voor velen van haar generatie was het hiermee een afgedane zaak en is het Christendom, mede door het doen en laten van de katholieke kerk, uit het culturele vizier geraakt. Als bindend en inspirerend verhaal is ze in de wereld van de hedendaagse kunst op een zijspoor terecht gekomen. Maar of dat terecht is, is de vraag.

Uit Anna Tilroe´s pamflet klinkt een luide schreeuw om en een verlangen naar betekenis- en zingeving, nieuwe verbanden, het bijeenbrengen van een versnipperde wereld. Het christelijke verhaal kan prachtig als uitgangspunt hiervoor dienen. Bovendien heeft het door de eeuwen heen een enorme beeldenrijkdom voortgebracht, waarop we verder kunnen bouwen. Dit alles houdt niet in dat we terug moeten naar de middeleeuwen en naar een middeleeuws geloof. Evenmin betekent dit dat we de bijbelse verhalen letterlijk moeten gaan uitbeelden. Het christendom en haar beeldtraditie biedt zoveel aanleiding voor zowel inhoudelijke als formele vermenging dat de koudwatervrees ongegrond is. Bovendien heeft de moderne kunst van de laatste 150 jaar ons zoveel middelen tot onze beschikking gesteld, en is er door de digitale revolutie zoveel mogelijk geworden, dat er een ongekende rijkdom voor ons in het verschiet ligt.

Hiermee is de in de eerste 50 bladzijden van de Ja-Sprong geschetste problematiek van de vercommercialisering van de kunst nog niet opgelost. Ik heb ook geen idee hoe dat zo moeten. Misschien is er geen oplossing en moeten we ons neerleggen bij het feit dat kunst altijd heeft gefunctioneerd in het kielzog van rijkdom en macht. Met uitzondering van zo´n 50 na-oorlogse jaren in Nederland. Er zullen ook altijd kunstenaars zijn die pogen zich hieraan te onttrekken. Met meer of minder succes.